Samenvatting hoofdlijnennotitie Wet werken naar vermogen

Inleiding

Nederland kent diverse regelingen om mensen aan de slag te helpen. Het gaat om de WWB/WIJ, de Wajong en de Wsw1. Hoewel deze regelingen hetzelfde doel hebben – mensen vanuit een uitkering aan het werk krijgen – verschillen de rechten en plichten. Zo varieert bijvoorbeeld de hoogte van de inkomensondersteuning. Ook de mogelijkheden om iemand aan een baan te helpen zijn per regeling anders. En daarmee de kansen op succes. Bovendien voeren verschillende instanties de regelingen nu uit. Dit stelsel is historisch gegroeid tot wat het nu is: een lappendeken aan regelingen met onderling onvoldoende samenhang.

Bovendien lukt het met dit stelsel te weinig om iedereen het beste uit zichzelf te laten halen. Zo blijkt uit analyse van de keuringen dat de helft van de mensen die een beroep doen op de Wsw met enige begeleiding gewoon aan het werk zou kunnen bij een reguliere werkgever.

Voor de Wajong is het beeld hetzelfde. Een kwart van de Wajongers heeft een baan, terwijl volgens het UWV, dat de keuringen doet, meer dan de helft geheel of gedeeltelijk kan werken. Ondertussen is het aantal Wajongers tot 2010 fors toegenomen. Als er niets gebeurt dan verdubbelt het aantal Wajongers tussen nu en 2040 zelfs tot 400.000. Op 1 januari 2010 is, als een eerste stap, de Wajong aangepast. Sindsdien wordt gekeken naar wat iemand wel kan in plaats van niet kan. Dit is een verbetering om ook deze mensen kansen te geven. Maar het blijft een knelpunt dat voorwaarden en uitvoering van de Wajong verschillen met andere regelingen; zo wordt de Wajong door het UWV landelijk uitgevoerd en de WWB/WIJ en Wsw op lokaal niveau door de gemeente.

Kortom: teveel mensen met een arbeidsbeperking maken gebruik van de sociale zekerheid terwijl zij geheel of gedeeltelijk bij een gewone werkgever aan de slag zouden kunnen. Tegelijkertijd neemt het aantal werkenden voor het eerst in decennia af. Als er niets gebeurt, komt de samenleving straks mensen tekort om het werk te doen. Dat is sociaal en economisch ongewenst.

Hoofdlijnennotitie aanzet tot nieuwe wettelijke regeling

Het kabinet beschrijft in deze notitie de hoofdlijnen van een nieuwe wet ‘Werken naar vermogen’ (WWNV) die aan bovenstaande problemen beter het hoofd moet bieden. De notitie is een uitwerking van het regeer- en gedoogakkoord van het kabinet. Het hoofddoel is zoveel mogelijk mensen die kunnen werken de kans te bieden zich door en in een baan te ontwikkelen. Dit is sociaal noodzakelijk. Het dient ook een economisch belang. De bevolking vergrijst in hoog tempo en als we niks doen dan komen we straks door de krimpende beroepsbevolking mensen tekort om het werk te doen. Met de WWNV komen meer mensen beschikbaar voor werk. Tot slot is er een financieel belang. Het kabinet moet fors ombuigen om de gevolgen van de crisis op te vangen. Hiervoor is het nodig dat meer mensen werken en minder mensen een uitkering ontvangen. Maar ook zonder de recente crisis zou ingrijpen noodzakelijk zijn.

De totstandkoming van de WWNV vraagt daarom tempo. Maar niet ten koste van de zorgvuldigheid. Voor een zo zorgvuldig mogelijke invoering spreekt het kabinet intensief met alle direct belanghebbenden: de mensen die aan de slag kunnen, uitvoerders van de regelingen, werkgevers en werknemers en cliëntorganisaties. Het kabinet wil de wet 1 januari 2013 invoeren. Hieronder volgen de belangrijkste punten uit de nieuwe wet die er straks moet gaan komen.

Gelijke rechten, plichten en kansen

De WWNV geeft mensen die (gedeeltelijk) kunnen werken en die als de nieuwe wet er is een beroep doen op de WWB/WIJ, Wajong of sociale werkvoorziening zitten zoveel mogelijk gelijke rechten, plichten én kansen op een baan. Het stelsel wordt meer gericht op werken in plaats van alleen een uitkering. Het wordt ook transparanter en eenvoudiger. Het geld om mensen te helpen weer aan de slag te gaan – dat nu in verschillende potjes zit – komt in één pot, bij de gemeente. Die kan hierdoor beter maatwerk leveren en mensen zo effectief mogelijk helpen. Dat is goed voor de mensen om wie het gaat omdat zij zo meer kans krijgen om aan de slag te gaan. Het is ook goed voor de uitvoerder van de regeling die het geld makkelijker kan inzetten. En het is goed voor de werkgever die iemand uit de doelgroep van de WWNV aanneemt.

De WWNV wordt uitgevoerd door de gemeente. Het kabinet kiest daar welbewust voor: gemeenten staan het dichtst bij de burger. Gemeenten hebben eerder ook al laten zien dat zij mensen goed aan werk kunnen helpen. Sinds de invoering van de WWB in 2004 is het aantal mensen dat in de bijstand komt met 20 procent gedaald. En tussen 2004 en 2009 steeg het aantal mensen dat vanuit een uitkering aan de slag ging van 10 naar 47 procent. Bovendien kunnen gemeenten meer problemen – dan alleen met het vinden van werk – tegelijk aanpakken. Vaak is langdurige werkloosheid niet het enige waarmee iemand kampt. Gemeenten kunnen ook helpen op het gebied van (jeugd)zorg, welzijn en dagbesteding. In ruil voor de grotere financiële verantwoordelijkheid die het gevolg is van de samenvoeging van de budgetten, krijgen gemeenten meer vrijheid bij het maken van regels om mensen aan werk te helpen.

Werk boven uitkering

Mensen die onder de nieuwe wet vallen en die kunnen werken moeten in de eerste plaats zelf op zoek naar een baan. De gemeente schiet pas te hulp als het iemand niet lukt aan de slag te komen. De gemeente gaat dan na wat de beste weg naar een baan is. De sociale werkvoorziening blijft bestaan voor mensen die wel kunnen werken maar alleen in een beschutte omgeving 2. Jonggehandicapten houden toegang tot de Wajong als zij helemaal nooit kunnen werken3. Op die manier werkt iedereen straks naar zijn of haar eigen mogelijkheden. Bij voorkeur bij een gewone werkgever. Gemeenten kunnen voor wie dat nodig heeft ondersteuning en begeleiding naar werk bieden. Iemand met een arbeidsbeperking die echt nooit kan werken houdt ook straks wat hij of zij nu heeft.

Het kabinet wil het voor werkgevers aantrekkelijker maken mensen met een arbeidsbeperking een baan te geven. Dit gebeurt door middel van loondispensatie. Een werkgever kan dan vrijstelling krijgen van de verplichting het wettelijk minimumloon te betalen als iemand dat (nog) niet zelfstandig kan verdienen. Zo krijgen deze mensen meer kansen op een baan. De werknemer die een WWNV-uitkering ontvangt, krijgt in dat geval een door de gemeente betaalde aanvulling tot maximaal het wettelijk minimumloon. Daar hoeft de werkgever niets voor te doen. Voordeel voor de werkgever is ook dat hij de werknemer alleen betaalt naar diens vermogen om te werken.

Gemeenten gaan werkgevers – net als nu al gebeurt – actief benaderen om mensen uit de doelgroep van de WWNV aan te nemen. Daarbij moet het voor werkgevers wel te doen zijn om mensen met een arbeidsbeperking in te passen in hun bedrijf. Voordat de WWNV in werking treedt zal het kabinet samen met de gemeenten onderzoeken hoe het voor werkgevers zo makkelijk mogelijk kan worden gemaakt om iemand met een arbeidsbeperking aan te nemen.

Activerende aanpak

Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor een inkomen om te kunnen leven. Lukt dat niet dan kunnen zij een beroep doen op de overheid om hen daarbij te helpen of in het uiterste geval voor een uitkering. Bij deze activerende aanpak passen uitkeringsregels die mensen aansporen om alles te doen om werk te krijgen.

Gebruikelijk moet worden dat inkomensondersteuning een aanvulling is op de middelen waarover iemand zelf beschikt. Dat geldt nu al voor de WWB, daar krijgen mensen die straks een beroep doen op de WWNV ook mee te maken. Dit houdt bijvoorbeeld in dat bij de vaststelling of iemand recht heeft op een uitkering eerst wordt gekeken naar eventuele inkomsten van de partner en naar het eigen vermogen4. Ook de re-integratieverplichting uit de WWB is van toepassing. Iemand moet dus ook daadwerkelijk z’n best doen om aan de slag te komen.

Niet iedereen met een arbeidsbeperking is in staat te werken. De nieuwe wettelijke regeling houdt daar rekening mee. Jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn houden daarom net als nu recht op een uitkering van 75 procent van het wettelijk minimumloon en blijven in de Wajong. Er wordt ook niet gekeken naar het inkomen van hun partner of naar andere middelen. Deze mensen zijn immers niet in staat om via werk een aanvullend inkomen te verwerven. Zij hebben recht op de ultieme bescherming vanuit de sociale zekerheid: een inkomensbescherming. De rechten van Wajongers die nu al een Wajonguitkering ontvangen zullen zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Voor hen zal geen partner- en middelentoets gelden. Als zij – na herbeoordeling – geacht worden te kunnen werken, zal voor deze groep wel per 1 januari 2014 de uitkering worden verlaagd tot 70% WML.

Tot slot is er de sociale werkvoorziening. De huidige systematiek van rechten en plichten in de Wsw verandert niet voor de mensen die op dit moment een dienstbetrekking hebben op grond van de Wsw. Een klein deel werkt bij een gewone werkgever, de meesten doen ‘beschut werk’. Maar vanaf 1 januari 2013 komen nieuwe aanvragers alleen nog in de Wsw als zij slechts in beschutting kunnen werken.

Keuring voor Wsw en Wajong

De keuringen voor de Wajong en de Wsw worden aangepast. Straks is de sociale werkvoorziening alleen toegankelijk voor mensen die uitsluitend beschut werk kunnen doen. De Wajong geldt alleen voor mensen die helemaal nooit kunnen werken. De nieuwe keuringen voor Wsw en Wajong gaan op elkaar aansluiten.

Het UWV zal – net als nu – de keuring voor de Wajong en Wsw uitvoeren. Zo blijft de huidige onafhankelijkheid van de keuringen gewaarborgd. Ook gaat de kennis die het UWV in de loop der jaren op dit terrein heeft opgebouwd zo niet verloren en raakt die niet versnipperd5.

Niet-uitkeringsgerechtigden

Er zijn mensen met een arbeidsbeperking die géén recht hebben op een WWNV-uitkering, omdat zij zelf of hun partner voldoende middelen van bestaan hebben. Het kabinet wil niettemin dat ook deze mensen zo veel mogelijk gaan werken. Een deel van hen zal dan niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen. Daarom kunnen ook zij straks gebruik maken van de loondispensatie omdat zij anders niet aan de slag kunnen komen: een werkgever hoeft hen alleen te betalen voor de productiviteit, ook als die onder het minimumloon ligt. Verder kunnen zij een beroep doen op ondersteuning in de vorm van jobcoaching en werkplekaanpassingen.

Het kabinet maakt het op deze manier ook voor deze mensen met een arbeidsbeperking mogelijk om een aanvullend inkomen te verwerven. Aanvulling van het inkomen van deze groep tot maximaal het wettelijk minimumloon is niet nodig. Het gaat immers om mensen die zelf of door hun partner al voldoende middelen van bestaan hebben. De overheid helpt hen alleen op weg naar werk.

Het kabinet vraagt gemeenten de acties die zij gaan voeren voor deze groep in een verordening vast te leggen.

Beschut werk

De sociale werkvoorziening blijft straks, als het ware als een satelliet van de nieuwe WWNV, bestaan. Gemeenten kunnen mensen die nooit in staat zijn bij een gewoon bedrijf te werken een beschutte plaats aanbieden in de sociale werkvoorziening. Het kabinet verplicht gemeenten hier echter niet toe; zo’n verplichting staat haaks op de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten voor het uitvoeren van de WWNV.

Het kabinet wil tegelijkertijd wel verzekeren dat mensen met een indicatie ‘beschut werken’ toegang tot de sociale werkvoorziening houden. Daarom vraagt het kabinet gemeenten om hun beleid voor beschut werk in een verordening neer te leggen. Zo weten mogelijke gebruikers wat zij op dit punt van hun gemeente mogen verwachten6. Ook heeft het kabinet met gemeenten afgesproken dat zij op termijn gezamenlijk structureel 30.000 plekken voor beschut werken zullen realiseren. En dat zij vanaf 2013 jaarlijks een afgesproken aantal plekken voor nieuwe instroom beschut werken aanbieden. Dit houdt in dat voor elke drie Wsw-ers die bijvoorbeeld door pensionering vertrekken er één nieuwe plek beschut werken wordt aangeboden.

Het kabinet trekt tot 2017 vierhonderd miljoen euro uit om gemeenten en bedrijven in de sociale werkvoorziening in staat te stellen de noodzakelijke hervormingen door te voeren.

1 Wet werk en bijstand (WWB), Wet investeren in jongeren (WIJ), Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), Wet sociale werkvoorziening (Wsw).

2 De Wsw telt op dit moment 100.000 mensen: 5 procent is in dienst bij een gewone werkgever, 28 procent is gedetacheerd bij een gewone werkgever, de rest verricht ‘beschut werk’.

3 De eerste evaluatie van de nieuwe Wajong laat zien dat van de groep die in 2010 instroomde 13 procent in de uitkeringsregeling belandde, 54 procent kwam in de werkregeling voor Wajongers met arbeidsperspectief en 33 procent in de studieregeling voor schoolgaanden/studerenden.

4 De verwachting is dat jaarlijks 16.000 mensen met een arbeidsbeperking een aanvraag doen voor een uitkering. Het deel dat kan werken krijgt tot ze werk hebben gevonden een uitkering, een ander deel dat kan werken krijgt geen of een lagere uitkering omdat bijvoorbeeld de partner voldoende verdient.

5 Wie kan werken, en dus niet in aanmerking komt voor de Wajong of Wsw, kan bij zijn of haar gemeente een beroep doen op de WWNV.

6 Door de sociale werkvoorziening alleen open te stellen voor mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken zijn op termijn minder Wsw-plekken nodig.