Turken in Nederland niet verplicht tot inburgeren

De Centrale Raad van Beroep beslist in een uitspraak van 16 augustus 2011 dat Turkse burgers in Nederland niet wettelijk verplicht zijn tot inburgering. De Centrale Raad van Beroep vindt dat die verplichting om in te burgeren voor Turkse burgers in strijd is met tussen Turkije en de Europese Unie gesloten verdragen en de daaraan door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven uitleg.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat de inburgeringsplicht voor Turkse burgers in Nederland in strijd is met de zogeheten “standstillbepalingen” van verdragen tussen Turkije en de Europese Unie.

Een “standstillbepaling” houdt in dat lidstaten van de Europese Unie geen nieuwe wetten mogen maken die aan Turkse burgers (eerder) toegekende rechten beperken.

In de uitspraak (LJN BR4959) zegt de Centrale Raad van Beroep dat de uit de Wet inburgering voortvloeiende inburgeringsplicht het recht op arbeid en verblijf van Turkse burgers in Nederland beperkt. Het niet-halen van het inburgeringsexamen kan gevolgen hebben voor de verblijfsrechtelijke positie van Turkse burgers in Nederland. Zij komen bijvoorbeeld niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarnaast leidt het niet-halen van het inburgeringsexamen tot een boete.

Deze beperkingen leiden tot een door de verdragen tussen Turkije en de Europese Unie verboden onderscheid tussen Turkse burgers en burgers van de lidstaten van de Europese Unie.

De Centrale Raad van Beroep verwijst in deze uitspraak naar de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de verdragen tussen Turkije en de Europese Unie heeft gegeven.

In een aparte uitspraak van 16 augustus 2011 (LJN BR4701) oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het hoger beroep van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet-ontvankelijk is. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is geen belanghebbende.

(c) ANP